Overzicht en bestrijding van kinderziektes
Kinderziektengids

Het percentage meisjes dat zich laat vaccineren tegen het virus dat baarmoederhalskanker veroorzaakt is het afgelopen jaar nauwelijks gestegen. Van de meisjes die in 1999 zijn geboren was per 1 januari 2014 ongeveer 60,7 procent ingeënt tegen het humaan papillomavirus (HPV). Dat is 0,8 procentpunt meer dan de vorige lichting, geboren in 1998. Dat blijkt uit cijfers die het RIVM woensdag publiceerde.

Sinds 2009 krijgt ieder meisje in het jaar dat ze 13 wordt een uitnodiging voor inenting tegen het virus. In dat jaar werd ook de groep die is geboren in de periode 1993 tot en met 1996 opgeroepen voor een prik. Slechts de helft van de opgeroepen tienermeisjes lieten zich toen inenten.

Beweging
Het RIVM is blij dat sinds de invoering van het vaccinatieprogramma meer meisjes zich laten inenten. ‘Er zit beweging in’, zegt een woordvoerster. Dat de opkomst veel lager ligt dan die voor bijvoorbeeld het vaccin tegen polio is volgens haar goed te verklaren. HPV is een veelvoorkomend virus en slechts een klein percentage van de vrouwen die besmet zijn krijgt baarmoederhalskanker.

Wel benadrukt ze dat de prik tegen HPV een ‘goed vaccin is dat beschermt tegen een ernstige ziekte’. Om wel of geen inenting te halen is een persoonlijke afweging. De woordvoerster hoopt dat meisjes zich goed laten informeren over de prik en zich niet laten leiden door ‘hypes’.

Onjuiste informatie
Volgens het RIVM ging er rond de invoering van het vaccinatieprogramma veel feitelijk onjuiste informatie rond over het vaccin. Zo zei de Vereniging van Kritisch Prikken dat de prik mogelijk schade veroorzaakt in zenuwcellen in de hersenen. Toenmalig directeur Infectieziekten van het RIVM Roel Coutinho noemde deze informatie ‘pertinent onjuist’.